Column: Charmeur in maatpak

Mijn onderlip trilt. Ik hoor ze denken: ach, weer zo een die in de streken van een Italiaanse macho is gestonken. De mannen in de krappe stoelen naast me kijken nieuwsgierig mijn kant op. We komen los van de grond en door het raampje zie ik Rome achter me steeds kleiner worden. Een dikke traan rolt over mijn wangen. Mijn verblijf in Italië zit erop.

Het is inmiddels 2 maanden geleden dat ik mijn grote liefde Rome vaarwel zwaaide. Hoe mooi onze relatie ook was, er zat geen toekomst in. Daarvoor gaat het te slecht met haar. Al jaren zag ik de stad achteruit gaan, maar op het moment dat het vuilnis voor de deur tot aan je kruin reikt en de kakkerlakken op je aanrecht dansen, is het leven toch iets minder dolce. Een potdichte arbeidsmarkt, waar de lonen ook nog eens absurd laag liggen, maakte de terugkeer onvermijdelijk.

Aanvankelijk vond ik deze keuze niet moeilijk. De afgelopen jaren ben ik Nederland enorm gaan waarderen. Wat zijn de straten schoon, wat rijden de mensen keurig, wat zijn onze kroegen gezellig en wat is alles goed georganiseerd. Hoe lekker is een broodje kroket en hoe mooi zijn de groene weilanden met koeien en molens? Vrienden noemen me ineens een chauvinist en lachen om mijn patriottische gedrag.

Maar wat ze niet weten is dat ik mijn verloren liefde nog geen plek heb kunnen geven. Ik roep dan wel heel hard dat we hier niks te klagen hebben, toch kan ik er niet omheen: eenmaal thuis, mis ik Italië. De bergen en de blauwe zee. Het eten en de wijn. Ik mis het nonchalante en vooral het mediterrane leven. De warmte van mensen. De groenteboer die altijd vrolijk en met gebalde vuist ‘Ajax! Ajax!’ vanachter zijn sinaasappels naar me riep (niet wetende dat mijn voorkeur eigenlijk bij het Eindhovense voetbal ligt). Mijn Italiaanse buren die me enthousiaster begroetten na een rondje boodschappen doen, dan mijn Amsterdamse buurvrouw na 3 jaar afwezigheid.

Rome voelt als die Italiaanse charmeur. Die je met zijn op maat gesneden pak, donkere ogen en mooie praatjes gemakkelijk verleidt, maar waarvan je tegelijkertijd ook weet dat hij niet de ware is.

Ik mis zelfs het geflirt. In Italië word je als vrouw regelmatig betrokken bij een soort paringsdans op straat. Wildvreemden die je complimenteren, naar je lachen en even een praatje met je maken. Hoewel deze dans vrijwel nooit zijn vruchten afwerpt – dat is vaak niet eens de intentie – zorgt het wel voor meer leven in de brouwerij én een beter humeur. Maar de Nederlandse man heeft hier, zo valt me op, geen kaas van gegeten.

Het is een gek gevoel: niet helemaal kunnen aarden in je eigen land, maar ook niet terug willen naar de plek waar je hart ligt. Rome voelt als die Italiaanse charmeur. Die je met zijn op maat gesneden pak, donkere ogen en mooie praatjes gemakkelijk verleidt, maar waarvan je tegelijkertijd ook weet dat hij niet de ware is. Het ideaal zou zijn een mix tussen de twee landen. Een mix die, naar mijn weten, niet bestaat.

Vooralsnog blijft Nederland dus mijn thuisbasis. Daarom schrijf ik nu, onder het genot van een Amsterdamse cappuccino van 4 euro (bereid met lang houdbare melk), mijn laatste column over Italië. Met pijn in het hart. Maar zónder dansend ongedierte en de geur van rottend huisvuil om me heen. En dat is eigenlijk ook best aantrekkelijk.

Column voor De Smaak van Italië in 2020 over mijn (tijdelijke) remigratie naar Nederland.