Nooit zou ik monnik kunnen worden. Niet zozeer omdat ik het juiste geslacht er niet voor heb, maar omdat ik een gruwelijke hekel heb aan de wekker. Het verbaast mij dan ook dat het aantal jongeren in de monnikenkloosters stijgt. Mijn beeld van tieners is dat ze het liefst tot twaalf uur in bed liggen stinken en de hele dag aan vieze dingen denken. Maar binnen de kloostermuren valt er wat betreft gedisciplineerde jongens niks te klagen.
Waarom kiezen er nog zo veel jonge mensen bewust voor een leven als monnik? En wat doen ze eigenlijk de hele dag? Bidden? Bierbrouwen? Aalmoezen verzamelen voor de armen? Ik vraag het mijn Braziliaanse Facebookvriend Filipe, de enige monnik in mijn netwerk (ja, ook monniken zitten op Facebook). Een eeuwigheid geleden volgden we samen Italiaanse les in Rome en we zijn het contact nooit helemaal verloren. Voordat ik het in de gaten heb, zeg ik ‘ja’ om een dagje mee te lopen met de benedictijner monniken hier. Overmorgen om half tien. Ik mag uitslapen dus.
Op mijn eerste (en laatste) ochtend als monnik loop ik in mijn meest christelijke kledij richting het klooster van Sant’Anselmo, net achter het Circo Massimo, waar Filipe al op me wacht. Hij draagt mijn tas, houdt de deur open en zet (goede!) koffie voor me – de gemiddelde man kan nog een puntje zuigen aan deze galante monnik. Ik zou er bijna hopeloos verliefd van worden, ware het niet dat er voor Filipe maar één liefde bestaat; die voor God. Om die liefde meer diepgang te geven, verblijft Filipe samen met andere gelovigen van over de hele wereld in Sant’Anselmo.
Het internationale karakter maakt het klooster een boeiende plek. Ze delen één geloof, maar komen uit verschillende culturen. En die diversiteit zorgt soms voor botsingen. Voor een Italiaanse priester is het bijvoorbeeld heel gewoon om in je gewaad een sigaretje op te steken, voor een Zuid-Amerikaan is dat ondenkbaar. Dat gebeurt ook omgekeerd. Filipe: ‘In Brazilië mocht ik als monnik gerust een ijsje eten. Toen ik dat hier in Rome eens deed, dacht ik dat ze me ter plekke zouden verbranden in mijn pij!’ De verschillen gaan echter verder dan dat. Voor veel Afrikanen in Sant’Anselmo is polygamie heel normaal, maar homoseksualiteit uit ten boze. Voor Filipe geldt dat juist andersom. ‘Mensen denken dat de Katholieke Kerk erg achterloopt, maar dat is niet waar. We kunnen alleen als wereldwijd instituut, met zoveel cultuurverschillen, niet makkelijk tot een compromis komen. Dat kost tijd. Heel veel tijd.’
Benedictijnen houden echter absoluut niet van tijd verspillen. De wekker luidt hier elke ochtend om half zes, waarna iedereen om exact zes uur paraat staat voor het gebed. Om te voorkomen dat de monniken elkaar aanspreken tijdens de dienst, heeft elke koorstoel aan beide zijden een schot op ooghoogte – je moet dus een erg oncomfortabele houding aannemen voor een onderonsje met de buurman. Ook tijdens het ontbijt is er geen ruimte om bij te kletsen, dan worden de regels opgelezen waar de mannen naar dienen te leven. Als de eerste maaltijd eenmaal stilzwijgend achter de kiezen is verdwenen, duiken de monniken hun boeken weer in of gaan ze aan het werk. Met dat werk worden de klusjes in en rondom het klooster bedoeld, zoals de kapel op orde brengen of de website bijhouden, maar ook bijvoorbeeld koekjes bakken en (natuurlijk) bierbrouwen. Elke dag bestaat uit ora et labora (vrij vertaald ‘bidden en werken’). Behalve zondag.
Stipt om 13:00 uur wordt onze lunch geserveerd. Drie gangen, waar we slechts twintig minuten de tijd voor krijgen. Ooit was het idee hierachter dat je het eten niet mocht proeven, want genieten was een zonde. Tegenwoordig wordt er dan wel lekker gekookt (we zijn tenslotte in Italië), maar er staat nog altijd weinig tijd voor de maaltijd. Zo blijft er meer over voor ora et labora. Ik heb mijn laatste hap pasta nog niet doorgeslikt of de volgende schaal met kippenbouten komt door. Lunchen als enige vrouw tussen honderden monniken doe ik niet vaak, dus ik voel me vrij ongemakkelijk. Dat blijkt met name uit hoe onhandig ik een kippenbout probeer te pakken met een soeplepel. De kip belandt naast het bord en de jus spat alle kanten op. ‘Shit!’ (Verdraaid, zei ik nou hardop ‘shit’?!) De celibataire mannen om me heen hebben vanzelfsprekend oog noch oor voor me, dus ik grits de bout met mijn handen van tafel en eet ‘m zo snel mogelijk op. Nog drie minuten, schat ik.
Waarom jonge mannen dit rigide levensritme als hun roeping zien, begrijp ik wellicht nog minder als mijn dag erop zit. Filipe zegt me dat ik het moet zien als een soort meditatie, zoals anderen bijvoorbeeld aan yoga doen. Maar nooit meer uitslapen, altijd in rap tempo eten, (bijna) elke dag hetzelfde rooster en nooit meer verliefd worden op een mens? Voor geen goud. Dat betekent echter niet dat ik geen respect heb voor Filipes keuze. Integendeel. Wat hij voor ‘zijn liefde’ overheeft, is bewonderenswaardig. Maar nog meer respect heb ik voor zijn goede karakter en open mind; het zou een hoop gedoe in de wereld schelen als we allemaal zo vredig met andersdenkenden omgaan.
En het houdt niet op met zijn goede manieren. Als klap op de vuurpijl stopt Filipe bij mijn vertrek ook nog eens twee koude abdijbiertjes in mijn tas. Áls er een hemel bestaat, dan is daar zeker een plekje voor hem gereserveerd. Waar hij – hopelijk – eindelijk mag uitslapen.
Geplubliceerd op desmaakvanitalie.nl (december 2016)
