Column: ‘Poseerde Jezus echt voor Michelangelo?’

‘Where is that famous tower?’ vraagt een Amerikaanse me met knauwende stem. Ik kijk haar niet begrijpend aan. Welke bekende toren in Rome bedoelt ze? ‘You know, that really famous one?’ Meer weet ze er niet van en gee­ft het op: ‘Never mind, where can I find the Gucci store?’ Ik onderdruk een zucht; waarschijnlijk zoekt ze de Toren van Pisa.

Het verbaast me al niet meer. Laatst hoorde ik een meisje klagen dat de champignons op haar pizza vers waren: ‘­They smell very strong..’. Nadat de ober haar had uitgelegd dat ze louter met verse ingrediënten werken, trok ze een zuur gezicht. Op dit soort momenten wil ik zo iemand heel graag door elkaar schudden en vragen wat ze dan in haar hoofd had (om haar vervolgens bovenhands naar de McDonald’s te slingeren, zoals ze dat in tekenfilms doen).

Soms hee­ft het ook iets aandoenlijks; mensen die werkelijk niets weten, maar ter plekke alsnog geboeid worden. Ze lopen mee met een gids, die meer dan 60 man begeleidt, en stellen vragen als: ‘Poseerde Jezus echt voor Michelangelo?’ of ‘Hoe vaak vinden er nog gladiatorenspelen in het Colosseum plaats?’ (Ik verzin het niet). Dit zijn extreme voorbeelden, maar er is wel degelijk een trieste ontwikkeling in de Europese steden gaande. Het aantal toeristen dat zich in een attractiepark waant in plaats van een hedendaagse stad, stijgt.

Begrijp me niet verkeerd, iedereen mag van mij zijn of haar vakantie invullen hoe hij of zij dat wil. Maar waarom leg je duizend(en) kilometers af als de lokale cultuur of geschiedenis je niks interesseert? Dát begrijp ik niet. Je hoe­ft niet 6 musea per dag af te struinen en ik heb het ook niet over clichés als ‘geen cappuccino bestellen na 11 uur’ – de gemiddelde Romeinse barista maalt evenveel om het veteranenvolleybalteam uit Purmerend als het tijdstip waarop jij koffie met melk drinkt. Maar dat toeristen in een lange stoet dezelfde monumenten afvinken voor een selfie, zonder enig idee te hebben van waar ze naar kijken, vind ik gek. Dat lijkt mij vooral zonde van je tijd en geld.

Veel Romeinen om me heen snappen het net zo min. Regelmatig lees ik erover in lokale kranten: wat moeten we met de toerist die vraagt waar de Mona Lisa hangt? (Ook dit verzin ik niet). Er gaan steeds meer stemmen op voor het bevorderen van ‘duurzaam toerisme’, dat onder meer respect voor de lokale cultuur en het dagelijks leven predikt. Een mooi streven. De vraag rijst echter: hoe realiseer je dit?

De gemeente treedt inmiddels vaker op tegen wangedrag: wie in een fontein springt, een broodje eet op een monument of dronken over straat waggelt, riskeert een flinke boete. De mannen verkleed als gladiatoren (of beter gezegd: oplichters die je zonder gêne 10 euro rekenen voor een foto) zijn gelukkig met pek en veren de stad uit gestuurd. Maar hierdoor zal het aantal ‘duurzame toeristen’ niet ineens fors toenemen.

Een Romeinse vriend en ik filosoferen over de kwestie. Maakt het ons nu écht wat uit dat velen zo weinig van deze stad weten? Kun je de schoonheid ervan niet gewoon waarderen, ook zonder kennis? En doen winkeliers zelf niet ook een duit in het zakje door posters van de Mona Lisa en magneetjes met Italië’s beroemdste toren te verkopen? Na een paar glazen wijn concluderen we dat de oplossing vooralsnog in onszelf ligt. ‘Wie zich niet ergert maar verwondert, wordt niet 80 maar 100.’ Met dit in mijn achterhoofd wijs ik de Amerikaanse op straat vriendelijk naar de Gucci-store. Ze kent in ieder geval wél de Italiaanse mode.

21 oktober 2018
Column in magazine De Smaak van Italië