‘Goedemorgen, maarschalk’, groet de barista een man in uniform. Maarschalk? De laatste keer dat ik dat woord hoorde, was tijdens een potje Stratego in 1996. Ik gniffel in mijn eentje achter mijn koffie.
Hetzelfde lacherige gevoel bekruipt me, wanneer ik de Italiaanse Erwin Krol op televisie zie. Als luitenant-kolonel, met dertig medailles opgespeld, voorspelt hij het weer van de komende dagen (dat overigens vrijwel nooit klopt).
In Italië gebruiken ze titels nog te pas en te onpas. Kijk eens bij de rij deurbellen van een gemiddeld appartementencomplex en je zult zien dat iedereen wel wat toe te voegen heeft aan zijn of haar naam: giudice (rechter), avvocato, dottore. Van alles wordt ervoor geplakt. Vooral in het zuiden van Italië.
In een dorpje onder Napels ontmoette ik zelfs eens een principe. Een naam die hij had geërfd van een of andere Spaanse prins uit de zestiende eeuw. Vandaag de dag wil zo’n aristocratische benaming in Italië echter niet veel meer zeggen dan: ‘ooit bezat mijn familie heel veel macht en grond in de omgeving’.
Nu interesseert me blauw bloed in Nederland al geen fluit ̶ wat zegt een aangeboren titel over de persoon zelf? Laat staan dat ik warm loop voor het predicaat van een onbekende man, wonend op bijna 1.800 km van mijn geboorteplaats. Toch integreerde deze ‘prins’ mij. Althans, de poppenkast eromheen. Iedereen noemde hem namelijk niet bij zijn naam, maar gewoonweg principe. Hoewel ik zeker drie uur tafelde met hem en zijn vrouw, ben ik nooit achter zijn werkelijke naam gekomen.
Hetzelfde maakte ik mee met een boer uit de omgeving, die de leiding heeft over een enorme buffelboerderij. Een ontzettend vriendelijke man, maar het stak me dat hij zich voorstelde als ‘il presidente’. Waarom niet gewoon zijn echte naam? Zou die te simpeltjes zijn? Waarom hang je je identiteit in hemelsnaam op aan een woord?
Iedereen die in Italië een bacheloropleiding voltooit, mag zich dottore of dottoressa noemen. En in een maatschappij die erg gefocust is op hiërarchie, kan ik er wel inkomen dat je deze aanduiding daadwerkelijk gebruikt. De vraag rijst echter; wat is zo’n titel nog waard als veel jonge afgestudeerden niet aan de bak komen? Wanneer een enorme groep dottori hun heil gaat zoeken in het buiteland, omdat werken in de McDonald’s daar nog altijd beter betaalt dan een baan in de laars? Is het dan niet een beetje de schone schijn ophouden?
Mijn Italiaanse vriend Fiorenzo legt uit dat het vooral iets van oudere generaties is. ‘Vroeger was studeren iets unieks. Een academische titel onderscheidde je van de rest. Daar liepen en lopen ze graag mee te koop.’ Dat gebeurt ook als ze er helemaal geen recht op hebben. Er zijn tal van politici die een academische graad uit hun duim zuigen, meent hij. ‘In werkelijkheid is zo’n etiket slechts een waardebepaling, waar in bepaalde kringen nog belang aan wordt gehecht. Het zegt weinig over je ervaring of vakkundigheid.’
Feit blijft dat je in het dagelijks leven hier vaak meer succes boekt, als je een hoge maatschappelijke positie voor je naam zet. En andersom geldt dat ook. Door iemand bij zijn titel noemen, uit je respect én krijg je dingen makkelijker geregeld. Wellicht dat de maarschalk om die reden zo wordt verwelkomd in het café.
Maar voordat je enthousiast aan de slag gaat met het pluimstrijken van Italianen, let op! ‘Tegenwoordig gebruiken we dotto’ ook wel spottend, als iemand bijvoorbeeld nogal snobistisch uit de hoek komt’, waarschuwt Fiorenzo. ‘Of gewoon voor de grap. De barman begroet mij elke ochtend met “Dottore!” en ik antwoord steevast “Zijne heiligheid, graag één cappuccino”.’
