Licht ontvlambaar

Verhalen over het openbaar vervoer in Italië vallen voor mij in dezelfde categorie als ‘Afgelopen weekend ging ik met mijn schoonmoeder naar Ikea’. Allebei even flauw en voorspelbaar: je weet bij voorbaat dat het verkeerd afloopt.

Maar er moet me toch iets van het hart. De laatste jaren gaat het namelijk met de Italiaanse stadsbussen wel heel erg de verkeerde kant op. Sinds 2016 zijn er alleen al in Rome 39 bussen door een technisch mankement in brand gevlogen. Terwijl er passagiers aan boord zaten! En dat aantal blijft maar stijgen.

De stadsbussen zijn gewoonweg te oud. Een bus rijdt hier gemiddeld dertien jaar rond – maar er tuffen ook oudjes tussen die de twintig al gepasseerd zijn. Ter vergelijking: de gemiddelde stadsbus in een Europese hoofdstad wordt na zeven jaar vervangen. Een studie wees vorig jaar uit dat als het Romeinse vervoersbedrijf zich in dit tempo blijft ontwikkelen, het tachtig jaar nodig heeft om zich te kunnen meten met andere grote steden.

ATAC, de openbaar vervoerder van Rome, is dan ook het mikpunt van spot. Romeinen leggen de afkorting ATAC inmiddels uit als ‘Arriviamo Tardi A Casa’, ‘we komen te laat thuis’ en de brandende bussen gaven ze het koosnaampje flambus. Er worden voorspellingen gedaan over hoeveel dagen de volgende bus in vlammen opgaat en er bestaat een bingokaart met alle mankementen die je in de bussen tegenkomt.

Sinds mijn fiets er de brui aan heeft gegeven, kan ik ook mee bingoën. Het hokje ‘flambus’ heb ik (gelukkig) nog niet hoeven aankruisen, maar ik heb wel dagelijks te kampen met de problemen van het bejaarde transportsysteem. En dan heb ik het niet over de enorme vertragingen (ik calculeer minstens een uur extra reistijd in). Ik heb het ook niet over het feit dat we als haringen in een ton worden vervoerd. Het zit ’m voor mij in de kleine dingen, zoals bijvoorbeeld een abonnement verlengen. Vaak is dat een militaire operatie: in de ene winkel werkt de computer die dag nét niet, in de andere wordt je pinpas beschouwd als een duivels betaalmiddel. Er is altijd wat.

Heb je eenmaal een zitplaats in de bus weten te bemachtigen, dan gaat bij mij de vlag nog niet uit. De stoeltjes zijn zo schuin geïnstalleerd dat ik steeds naar voren glijd en het keiharde gerammel doet mijn humeur ook geen goed. Laatst zei iemand tegen mij dat de straten in Rome zo solide zijn, vanwege het vulkaangesteente. Volgens mij heeft diegene nog nooit een ritje in de bus hier gemaakt. Elke oneffenheid in de weg trilt door je lichaam. Al na een kwartier hebben al mijn organen van plek gewisseld.

Maar onlangs kwam de druppel voor mij, toen ik op weg was naar een Zweedse meubelwinkel (daar is-ie weer) buiten het centrum. De bus stond plotseling boven op de rem, waardoor ik van mijn schuine stoel werd gelanceerd en met mijn gezicht zo in de schoot van mijn overbuurman belandde. De oude man schrok zich – terecht – wezenloos en ik niet minder: alsof de bus in brand stond, vluchtte ik de eerstvolgende halte naar buiten. Dat kastje kon wel wachten, eerst een nieuwe fiets.

Deze column is gepubliceerd mei 2018 in magazine De Smaak van Italië.

Foto: Linssimato via flickr